Uithuizen, Hervormde kerk

Discografie

1699-1701: In 1699 werd op initiatief van de heer Unico Alberda, bewoner van de Menckemaborg te Uithuizen, contact gezocht met de orgelmaker Arp Schnitger om te komen tot de bouw van een nieuw orgel voor de kerk van Uithuizen. Het bewaard gebleven contract is gedateerd op 26 maart 1699, maar is niet ondertekend. Er bleef echter ook een ondertekende schuldbekentenis aan Schnitger bewaard, die is gedateerd op 17 juli 1699. Deze kan als bevestiging van de opdracht worden beschouwd. Zoals gebruikelijk, werkte Schnitger voor de bouw van de kassen samen met de Groninger schrijnwerker Allert Meijer. Met hem werd daartoe ook een contract gesloten. Het eveneens bewaard gebleven document is gedateerd 19 mei 1699 en werd ook op 17 juli ondertekend. Op 9 april 1701 ontving Schnitger de laatste termijn van de aanneemsom. We mogen aannemen, dat het orgel op zijn laatst in november 1700 voltooid is geweest. In de winter kon niet worden gewerkt, noch aan soldeerwerk, noch aan lijmwerk. De laatste betaling heeft plaatsgevonden op een van de eerste reizen die Schnitger na de winter weer ondernam, enerzijds om werk te inspecteren of af te ronden, anderzijds verband houdend met nieuwe projecten, zoals bijvoorbeeld het in aanbouw zijnde orgel van de Academiekerk te Groningen. Bij oplevering bevatte het orgel één register meer dan in het contract bepaald was, een Quint 11/2 voet in het Rugpositief. Tijdens de jongste restauratie bleek dat de lade oorspronkelijk nog een plaats had. Het lijkt er derhalve op, dat de lade uit voorraad kwam. Op grond van stilistisch onderzoek wordt aangenomen, dat de beeldhouwer Jan de Rijk het blinderingsnijwerk en de vleugels heeft gemaakt. Het orgel was bij oplevering het grootste instrument in een Groningse dorpskerk. Het is (onder het front van het Rugpositief) gedateerd 1700. Bernhardt Edskes wijst op het feit, dat in die tijd eeuwwisselingen met grote feesten gepaard gingen. Niet onmogelijk is het dus, dat de stichting van dit orgel ook als iets bijzonders is gezien.
De bouw van het orgel vormde de aanzet tot de algehele herinrichting van de kerk van Uithuizen. In 1703 werd de herenbank voor de familie Alberda gemaakt, opgesteld aan de oostzijde van de kerk, tegenover het orgel. In 1713 volgde de bouw van de zeer rijke kansel en het bijbehorende doophek. Beide werken werden door Allert Meijer uitgevoerd, met medewerking van Jan de Rijk. Uithuizen bezit dus niet alleen het grootste 'zuivere' Schnitger-orgel (dat wil zeggen, gebouwd zonder toepassing van oudere materialen, de beschrijving is van dr. G. Fock), maar tevens het meest gave, door één hand vervaardigde Barokke kerkinterieur van het Noorden. Toen Schnitger het orgel maakte, was de kerk nog een éénbeukig gebouw. Na de bouw, in de 18de eeuw, werd, om de grote toeloop van kerkgangers te kunnen opvangen, tegenover de kansel een zijbeuk gebouwd. Ook werden later grotere vensters aangebracht, waardoor de voorste ligger van de orgelgalerij thans op een stenen ondersteuning op de vensterbank rust. Het bankenplan werd in de huidige vorm eveneens in de 18de eeuw aangebracht. Aan de bouw van de orgels te Pieterburen en Uithuizen is de bekende verzuchting van Schnitger verbonden dat hij er niet zoveel aan verdiend heeft omdat zijn knechts wel veel verteerden maar weinig verdiend hadden. Verondersteld wordt, dat Johan Radeker in elk geval onder deze 'schelmen en dagdieven' moet worden gerekend. Bernhardt Edskes vertelde dat bij de laatste restauratie onder de frontstok van een zijtoren van het Rugpositief een Goudse pijp werd gevonden met daarin kennelijk snel gedoofde rookwaar. Onderzoek wees uit, dat het een pijp uit rond 1700 betrof en dat als rookwaar vlas was gebruikt, dat immers toch bij de hand was, om de conducten in te lijmen! Het object is inmiddels in de verzameling van de Menckemaborg opgenomen. Desondanks kregen twee knechts van de orgelmaker en een knecht van de kastenmaker bij de oplevering een 'vereering' uitbetaald.

1701-1746: Johan Radeker voerde aanvankelijk het onderhoud uit. Reparaties werden verricht in 1708 en 1710.

1747: A. A. Hinsz voert werk uit voor 350 gulden.

1785: Een grote reparatie wordt door Hinsz uitgevoerd in 1785. Het werk vergde een uitgave van 1050 gulden. De thans uitgevoerde restauratie heeft wat meer licht geworpen op de aard van de toen uitgevoerde werkzaamheden. Hinsz bracht geheel nieuwe handklavieren aan. Schnitger had klavieren met kort octaaf gemaakt. Kennelijk stuitte die speelwijze in toenemende mate op weerstand. Hinsz maakte nu klavieren met 49 toetsen, maar verbond de toetsen Cis, Dis, Fis en Gis door met de gelijknamige toetsen van het klein octaaf. Ook maakte Hinsz een nieuw pedaalklavier, ook met doorverbonden toetsen voor Cis en Dis. De lessenaar werd door Hinsz vernieuwd. Door de langere klaviermaat kon de oude lessenaar niet meer worden aangebracht. Hinsz nam de gelegenheid te baat om gelijk een lessenaar in de actuele vorm te maken, met een gebogen bovenzijde. De stijlen aan weerskanten van de lessenaar werden ingekapt om de bredere, nieuwe lessenaar te kunnen plaatsen. De nieuwe klavieren kregen bakstukken en lijsten van palissander, met op de onderste bakstukken gesneden koppelgrepen in Louis XVI-stijl van Buxbaum. De bakstukken werden kunstig ingelegd met ivoren ruitvormen. Bij de laatste restauratie is eveneens komen vast te staan dat in het Rugpositief veel blinderingsnijwerk is vernieuwd bij de werkzaamheden van 1785. Aanleiding hiertoe is waarschijnlijk geweest de zeer krappe ruimte die de Rugwerkkas biedt aan het binnenwerk. Die ruimte is dermate krap dat gedacht wordt aan een misverstand tussen Schnitger (die de Hamburgse voet hanteerde) en Meijer (die de kleinere Groningse voet gebruikte). Hoe dan ook, de kas is buitenmaats slechts 65 cm diep en bevat 10 complete registers, waaronder drie achtvoets registers met compleet groot octaaf. De lade ligt dermate dicht tegen het front aan, dat in de zijtorens de conducten tussen de voeten van de frontpijpen door zichtbaar zijn. Ook zijn de pijpjes in de stomme onderste tussenvelden over een afstand, gelijk aan de ladehoogte aan de achterzijde uitgesneden omdat de lade zo ver naar voren ligt. Het uitbundig en ruim aangebrachte blinderingsnijwerk belette zodoende een makkelijk uitnemen van de frontpijpen. Waarschijnlijk is al spoedig door loswrikken breuk ontstaan. Daarop moet besloten zijn, alle blinderingen bij de pijpen-boveneinden te vernieuwen in iets kortere vorm, zodat het uitnemen van frontpijpen makkelijker zou worden. Opmerkelijk is in ieder geval, dat alle snijwerk bij de pijpvoeten nog van Jan de Rijk is. Het andere werk onderscheidt zich duidelijk hiervan. Het is veel groter en zwaarder van lijn en motief. Om het verschil in houtsoort te elimineren werd besloten alle snijwerk donker te lakken. De gehele kas werd eveneens gelakt. Tevens werden door Hinsz de frontpijpen gerepareerd en waar nodig opnieuw gefoelied. Tijdens het werk overleed de orgelmaker Hinsz. Frans Caspar Schnitger junior ontving de gelden voor de restauratie. De keuring werd uitgevoerd door de Groninger organist Jakob Wilhelm Lustig. Deze was een groot voorstander van de gelijkzwevende temperatuur, zodat verondersteld kan worden, dat, mede gezien het grote bedrag, ook aan de stemming van het orgel is gewerkt.

Begin 19e eeuw: N. A. Lohman heeft in de vroege 19de eeuw onderhoud uitgevoerd. Reparaties door hem zijn bekend uit 1800, 1811 en 1830. In laatstgenoemd jaar brengt hij stemlappen aan, en wordt ten aanzien van de stemming gesproken over in een juiste harmonie', waardoor ook wel verondersteld is, dat pas in dat jaar de omstemming in de gelijkzwevende temperatuur is uitgevoerd.

1854-1856: In de jaren 1854-1856 vond een ingrijpende restauratie plaats door P. van Oeckelen te Harenermolen. Voor 2280 gulden werden de volgende veranderingen aangebracht:

Jhr. mr. S. W. Trip keurde het orgel en vond dat het zeer verbeterd was. Later werden nog de spaanbalgen vervangen door een grote magazijnbalg, eveneens werk dat door Van Oeckelen werd uitgevoerd.

Eerste restauratie-fase (rugwerk)
Over restauratie van het orgel is de laatste 40 jaar overigens heel wat te doen geweest. Vlak na 1945 dreigde een complete elektrificatie door de fa. Spanjaard, die op het nippertje door toedoen van Lambert Erné en Johannes Legène kon worden voorkomen. Intensieve voorbereidingen voor een restauratie door de heren Zachariassen en Andersen voor de fa. Marcussen volgden in de jaren vijftig, ook weer zonder resultaat. Ook is nog gesproken over een samenwerkings-scenario tussen Marcussen en Mense Ruiter, wat ook niet tot een opdracht heeft geleid. Zo bleef het orgel in de staat, waarin P. van Oeckelen het in 1856 had achtergelaten. Na die verbouwing vonden geen ingrijpende veranderingen meer plaats. Nu is dan een eerste fase van de uiteindelijk opgedragen restauratie voltooid. De orgelmaker die het werk heeft uitgevoerd is Bernhardt H. Edskes te Wohlen, AG, Zwitserland. Met de werkzaamheden werd in 1986 een begin gemaakt. In 1987 werd het werk opgeleverd. Adviseurs waren Klaas Bolt en Jan van Biezen, ook de Rijksadviseur voor Orgels, 0. B. Wiersma, was nauw bij het werk betrokken. Deze eerste fase betrof in hoofdzaak de volledige restauratie van het Rugpositief. Het was echter noodzakelijk om hieraan de restauratie van de klavieren en de gedeeltelijke reconstructie van de windvoorziening te verbinden.

Restauratie van het orgel was al geruime tijd noodzakelijk vanwege de ernstige lekkages in windladen en windvoorziening. Het kon tevens wenselijk worden genoemd vanwege de storende moderniseringen van 1856 die het terecht bewonderde concept van Schnitger afbreuk deden. Aanvankelijk werd gedacht aan een opdracht aan de Zwitserse orgelmakers Metzler, met een leidende bijdrage in de werkzaamheden voor Bernhardt Edskes, die daar lange tijd heeft gewerkt. Het zou een overeenkomst zijn die sterk leek op de in 1968 te Nieuw-Scheemda gevolgde werkwijze. Sinds enige tijd is Bernhardt Edskes echter als zelfstandig orgelmaker met een eigen werkplaats voor restauratie en nieuwbouw gevestigd in zijn woonplaats Wohlen in het kanton Aargau. In goed overleg is toen besloten, de opdracht aan Bernhardt Edskes toe te vertrouwen. Op minutieuze wijze is thans de eerste fase van het herstel uitgevoerd. Daarbij is waar mogelijk alles wat maatvoering mensuren en inscripties betreft gedocumenteerd. Alle onderdelen zijn op foto's vastgelegd, veel onderdelen zijn 1 op 1 uitgetekend. Dit laatste gold dan vooral het snijwerk van het Rugpositief. Voor de restauratie kon oppervlakkig worden vastgesteld dat veel stukjes ontbraken en dat er ook veel gebroken was. Door intensieve omgang met het materiaal kon bijvoorbeeld de ingreep van 1785 worden vastgesteld die hierboven is beschreven. Ook bleek, dat Van Oeckelen in 1856 de frontpijpen met te korte voeten had gemaakt. Op twee manieren heeft hij dit vervolgens opgelost. De eerste oplossing gaf niet zoveel hoofdbrekens: hier en daar had hij gewoon frontpijpen op hogere klosjes gezet. Maar de tweede oplossing bleek desastreus te zijn: alle blinderingsnijwerk was aan de onderzijde met een zaag over de gehele breedte ingekort. Bovendien was de broosheid van het snijwerk (1 cm dik) die in 1785 al tot problemen had geleid, ook nu nog een belemmerende factor. Met veel geduld is alles nu geïnventariseerd, gedocumenteerd en uitgetekend, om de compositie te leren kennen. Daarop is de restauratie en aanvulling van het snijwerk uitgevoerd. Het snijwerk is weer als in 1785 gekleurd om tot dezelfde kleurtoon te komen.

De frontpijpen van 1856, die werkelijk flinterdun waren uitgevoerd door Van Oeckelen zijn vervangen door nieuwe pijpen volgens mensuur, factuur en uitwendige behandeling van Schnitger. Ze bezitten rond ingeritste labia die verguld zijn. De labiumlijnen lopen nu veel beter dan in de situatie van 1856 (in het Manuaal kan men nog zien, dat ze bij Van Oeckelen teveel in gebogen lijnen lopen), door materiaal en juiste labiumvorm is ook de totale aanblik weer optimaal. Ook de relatie met het snijwerk, vooral het meest oorspronkelijke deel, bij de voeten, is weer volgens de oorspronkelijke bedoeling.

De windlade van het Rugpositief werd geheel gerestaureerd. Na ontleding van de lade werden de sponsels (alleen aan de bovenzijde aanwezig) hersteld. De bovenkant van de lade werd zeer behoedzaam met de hand geschaafd, alleen het uiterst noodzakelijke werd gedaan. Vervolgens werd de bovenkant met leer beplakt, doorgaand, onder de dammen door. De onderkant van de lade werd weer met perkament beplakt. Op geen enkele wijze werd ingegrepen in de oorspronkelijke structuur van de lade.

De ventielen werden opnieuw beleerd. In de ventielkast werd de aanwezige belering waar nodig vernieuwd. De ventielveren die aanwezig waren zijn gehandhaafd en waar nodig hersteld. Ze zijn (volgens de omschrijving van Hinsz) van 'taai koper', eigenlijk koperdraad, en niet van het harde messing dat nu veel gebruikt wordt en waar veel zink in zit, waardoor het de neiging heeft, snel te breken. Het zijn dikke veren, plat gehamerd, die een grotere spanning bezitten dan de draadveren met windingen die gebruikelijk zijn in onze tijd. Ook ten aanzien van het draadwerk van de mechaniek geldt, dat gepoogd is, zoveel mogelijk oud werk te bewaren, waar nodig zijn de draden geplet en opnieuw gericht. Onderdelen van de lade die niet meer aanwezig of niet meer origineel waren, zijn bijgemaakt volgens de wijze waarop ook Schnitger te werk is gegaan. Bij alles is eerst het originele onderdeel bestudeerd om materiaal en werkwijze te trachten terug te vinden, en vervolgens zijn nieuwe onderdelen gemaakt. Dat geldt bijvoorbeeld ook de stokschroeven, die op deze wijze zelf gedraaid zijn. Opmerkelijk was de vondst van verknipte speelkaarten die als damverhogingen waren gebruikt. Op zichzelf is dat niets bijzonders. Maar de hier aangetroffen fragmenten zijn, nadat ze zoveel mogelijk tot complete kaarten waren samengevoegd, ter bestudering aan deskundigen voorgelegd, die konden vaststellen, dat het hier om een handgekleurd kaartspel uit omstreeks 1700 ging!

De mechanieken, zowel voor registratuur als voor de klaviatuur, waren geheel origineel bewaard en behoefden alleen te worden hersteld. Voor de toetstractuur zijn er stoters en twee winkelbalken met messing winkelhaken, en een liggend walsbord, alles in eiken uitgevoerd. Ook de registermechaniek is origineel, en vanwege de krap bemeten kas ook in een zeer kleine ruimte ondergebracht. Hierdoor is de registergang ook gelijk aan de sleepgang.

De dispositie is geheel hersteld naar de situatie zoals deze volgens bestek (en aanvulling met 11/2 voet) moest zijn. Daartoe is het pijpwerk van het Rugwerk pijp voor pijp geïnventariseerd. Maar het bleek in dit stadium tevens noodzakelijk te zijn het pijpwerk van Manuaal en Pedaal hierbij te betrekken. Al gauw werd duidelijk dat bij opeenvolgende herstellingen, maar waarschijnlijk het meest in 1856, veel pij pen van plaats waren verwisseld en op uiteenlopende plaatsen waren terecht gekomen. Registers die volgens dispositie-overzichten weg moesten zijn bleken nog voor een deel terug te vinden, registers waarvan gedacht werd dat ze aanwezig waren, bleken uit pijpen van andere registers te bestaan. Aan de hand van mensuurmeting en inscriptie-overzichten konden alle Rugwerkpijpen op hun originele plaats worden ingezet. Gedekten, die van losse hoeden waren voorzien, werden weer dichtgesoldeerd. Pijpen die door latere verschuivingen te kort waren geworden, werden verlengd. De toonhoogte, die in de loop der tijd iets was opgetrokken, werd teruggebracht naar een halve toon boven normaal. Als temperatuur werd gekozen voor de gemodificeerde 1/5-komma middentoonstemming, die elders in deze aflevering uitvoerig wordt omschreven. Bij de Dulciaan vroeg de intonatie extra aandacht. Alle tongen die aanwezig waren konden echter behouden worden. De winddruk werd vastgesteld op 71 mm.

Omdat als windvoorziening een 19de-eeuwse magazijnbalg fungeerde moest in verband met een optimale klankgeving van het Rugpositief nu een begin worden gemaakt met de aanleg van een nieuwe windvoorziening in Schnitger-factuur. Reeds vanaf de 17de eeuw is tussen het schip van de kerk en de toren, die vroeger los van elkaar hebben gestaan, een balgenhuis aanwezig, dat tevens als toegangsportaal dienst doet. Op de verdieping hiervan is de balgenzolder. Oorspronkelijk had deze ruimte een puntvormig dak, zoals ook nog aan een moet in de muren te zien is. Thans is de ruimte plat overdekt. Door deze omstandigheid kunnen niet meer vier balgen boven elkaar gelegd worden, zoals oorspronkelijk het geval is geweest. Gekozen is voor een opzet met drie spaanbalgen. De eerste van deze balgen is nu nieuw gemaakt. De werkwijze is hierbij zo gekozen als uit originele balgen van Schnitger kon worden afgeleid. De eiken bladen zijn van massief hout, de delen in elkaar geploegd. De klampen hierop zijn met zwaluwstaarten op de bladen bevestigd. Houtmaten zijn precies aan het werk van Schnitger ontleend. De beleringswijze is eveneens overgenomen. Voor de balg is een provisorische balgstoel gemaakt uit het materiaal van de stoel waarop de magazijnbalg van Van Oeckelen lag. Het hout van de bladen van deze Van Oeckelen balg is gebruikt voor de aanleg van een nieuwe mechaniekvloer tussen Manuaalkas en Rugpositief. De klavieren van Hinsz alsmede de schuilkoppel werden ook gerestaureerd. Het beleg was grotendeels nog aanwezig, mooi dik ivoor, met ebben pennetjes (conische nagels) vastgezet. De frontons zijn ook van ivoor, geprofileerd. De bakstukken moesten worden hersteld. Veel inlegwerk was verloren gegaan, doch kon aan de hand van ritsen en moeten worden getraceerd, waarna het opnieuw is aangebracht. Het klavierplankje was in de loop der tijd omgedraaid en kon ook weer in de oorspronkelijke vorm worden hersteld. Interessant was de vondst van een tekst op een van de toetsen van de klavieren, waar staat: Ik mr Hardorff heb deze klaviatuur in 1785 opnieuw gemaakt (spelling JJ). Het is een van de weinige concrete aanknopingspunten betreffende deze uit Denemarken afkomstige orgelmaker, die bij Hinsz werkte en wiens kleinzoon later in Friesland werkzaam was.

Het valt op dat de klavierligging extreem laag is. Men behoeft geen lange benen te hebben om altijd met de knieën tegen het onderste klavier terecht te komen. Het lijkt erop, dat voor de klavierligging een hoogtemaat voor een orgel zonder Rugwerk is genomen, het zou andermaal een misverstand tussen Schnitger en Meijer kunnen zijn. Het pedaalklavier uit 1785 is nu nog buiten beschouwing gebleven. Het is nog origineel, behoudens het feit, dat de krullen van het raam afgezaagd zijn. Het pedaalwalsbord geeft overigens aan, dat de toetsen Cis en Dis van meet af aan op cis0 en dis0 doorgekoppeld geweest zijn. Dat zou betekenen, dat het nu in Norden toegepaste systeem voor de pedaalklavierdeling niet op Schnitger voorbeelden berust. Het zou ook betekenen, dat voor Manuaal en Pedaal tegenstrijdige speelsystemen voor het groot octaaf werden verlangd!

In verband met de voortgang van de orgelrestauratie bleek het noodzakelijk, het gewelf boven het orgel en de muur achter het orgel te restaureren. Dit kon worden gecombineerd met een totale herziening van het pleisterwerk die in 1988 is uitgevoerd. De bij de kerkrestauratie aangebrachte pleisterlaag bleek niet te houden, waarop de gehele kerk, na voltooiing van de Rugwerk restauratie opnieuw gepleisterd moest worden. Het orgel moest daartoe geheel worden ingepakt en afgeplakt. Voor de restauratie van gewelf boven en muur achter het orgel moest echter meer gebeuren. Deze delen van de kerk waren bij de kerkrestauratie achterwege gebleven omdat het orgel er toen nog in zijn geheel in stond. Nu is echter aangedrongen op restauratie van die delen, omdat anders de orgelrestauratie geen voortgang kan vinden. Daartoe is thans het pedaalwerk geheel gedemonteerd. Dit heeft weer enkele vondsten opgeleverd. Teruggevonden is in de eerste plaats een lage doorgang tussen balgenhuis en orgelzolder, waarschijnlijk de toegang tot het voormalige Faber-orgel, dat dan lager aan de muur heeft gehangen dan het vloerniveau van het Schnitger-orgel. Ook bleek daar de oorspronkelijke afsluiting van het Pedaal van Schnitger nog aanwezig te zijn. Nog interessanter was een balk die tevoorschijn kwam, en waarop de metalen Bourdonpijpen van Schnitger afgevoerd hebben gestaan. Compleet met boringen, conductaansluitingen en geritste cirkels geeft deze stok belangrijke aanwijzingen voor toekomstige reconstructie van dit register.

Enkele technische gegevens

De windlade van het Rugpositief heeft 45 tonen. De cancellen zijn in tertsgroepen ingedeeld. Het schema is: 7-12-7-12-7.

De zijtorens van het front zijn gemaakt in trapeziumvorm. Op zichzelf is dat een zeer interessant gegeven. In het werk van Schnitger in Duitsland komt het in die periode niet voor. Trapeziumvormige torens waren een kenmerkend facet van de hoog ontwikkelde Groningse orgelbouw in de 17de eeuw. In feite is Schnitger uit deze school voortgekomen door zijn leertijd bij Berendt Huss, verwant aan de Groningse familie Huis. In zijn werk in Groningen heeft Schnitger zich dus enkele malen aangepast aan bestaande tradities. Dat geldt niet alleen die trapeziumvormige zijtorens, maar ook de klaviervolgorde, waarbij hij het Manuaal als onderklavier en het Rugwerk als bovenklavier maakte en dus ook wat schuifkoppel betreft een andere constructie moest toepassen. Door de omstandigheid dat de trapeziumtoren acht pijpen bevat en op de lade zeven cancellen achter deze toren geplaatst zijn, is in elke zijtoren één pijp stom. Omdat in de tussenvelden van het front 11 pijpen staan, zijn h2 en c3 binnen geplaatst. Deze twee pijpjes waren nog oud.

Indruk
Door een toeval zijn er nu dus drie viervoets werken in Groningen waar Schnitger-klanken door restauratie wederom toegankelijk zijn geworden: Nieuw-Scheemda, Eenum en het Rugwerk van Uithuizen. De vergelijking dringt zich op, maar is gevaarlijk. Vooral vanwege het feit, dat de ruimtes waarin de instrumenten klinken, uiteenlopend zijn. In Uithuizen heeft de klank in alle aspecten, of het nu fluitklanken, plenumklanken of consort-registraties met de Dulciaan zijn, een ideale souplesse. Wanneer men met de geopende kas speelt, is een enorme energie te bespeuren, waarbij men al gauw denkt: wat gebeurt hier als het Manuaal en Pedaal terugkomen. Maar in de kerk beluisterd komt er een weldadige mildheid over de klank heen. Bernhardt Edskes wijst in dit verband op de klankspreiding door de krap bemeten Rugwerkkas, maar ook op een belangrijk klanktechnisch uitgangspunt: klank mag de luisteraar niet aanschieten, niet verwonden, maar dient de luisteraar te omhullen. Dat nu is in Uithuizen heel goed te ervaren. Het is voorts interessant om te zien hoe Schnitger te werk ging bij zijn klankopbouw. Zeer enge mensuren werden gekozen voor gedekten en prestanten, maar het contrast met de mensuur van de Woudfluyt, die zeer wijd is, is dan ook dubbel verrassend!

Door de toegepaste relatie tussen cancelhoogte en voetopening (en nog een aantal facetten) is er echter nooit een kleine, introverte klank. De gedekten klinken speels, belijnd, helder, met veel kwintboventoon. In combinatie met andere registers groeit bijvoorbeeld de Holpyp zodanig mee, dat de bas heel dragend wordt. Nooit krijgt men het gevoel, dat hogere registers in de Holpyp te weinig steun of aansluiting vinden. Gezegd moet worden, dat de opsneden dan ook hoog zijn.

In de prestantklank komt al spoedig een zilverachtige toon naar voren, vooral in de 2 voet en 1 '/2 voet is dat heel kenmerkend. De 11/2 voet is dan ook bedoeld als eerste plenum-vulstem, en moet eerst getrokken worden voor de Scherp wordt genomen. Interessant is, dat er door die zilverachtige boventoonklank eigenlijk een samenhangend principe in de klank valt waar te nemen, want de gedekten en de Dulciaan kunnen ook niet zonder, daar is het ook, in andere verhouding en dosering, duidelijk aan Bernhardt Edskes heeft met zijn restauratiewerk in Uithuizen een indrukwekkend getuigenis van vakmanschap afgeleverd, zowel wat klank als wat uitvoering van het technisch deel betreft. Het is zijn vaste overtuiging dat in de bouwtijd van het orgel nooit naar een maximaal licht toucher gestreefd is. Hij leidt dit af uit gebruikte materialen en toegepaste constructies. Uitvoerig stond hij in een gesprek dat we hadden stil bij een denktrant die nog veel in restauratiewerk voorkomt, en die hij omschrijft als projectie-denken. Nog al te veel is naar zijn mening sprake van vooringenomen standpunten, die vervolgens aan een te restaureren instrument worden opgelegd. Orgels krijgen lichthouten abstracten terwijl ze het nooit gehad hebben, in ventielkasten wordt papier aangebracht waar altijd leer is geweest, schroeven worden in een ijzerwinkel gekocht in plaats van nagemaakt. Zo kan ook in de benadering van klank een projectie verwarring zaaien. Een idee kan uit ervaring zijn ontwikkeld, zelfs uit ervaring bij oude instrumenten, maar behoeft nog niet direct met een bepaald restauratie-object verband te houden. Bernhardt Edskes propageert een anti-industrieel restaureren, dienend, werkend vanuit dezelfde geestesgesteldheid en vanuit dezelfde ambachtelijkheid als de makers van het instrument hebben gedaan.

Zo is het toucher van het orgel van Uithuizen zeker minder egaal en minder licht dan van een nieuw orgel, en waarschijnlijk ook minder licht dan bij de meeste gerestaureerde orgels. Maar zeker is, dat het door materiaal en constructie zo dicht mogelijk bij de bouwtijd staat als de restaurateurs voor mogelijk hebben gehouden. De restauratie van Uithuizen biedt veel stof tot discussie en veel stof tot overdenking, ook van ingewortelde denkwijzen en principes. Persoonlijk vind ik de aanpak indrukwekkend wat kwaliteit betreft en baanbrekend wat houding ten opzichte van het vak en het instrument 


Tweede restauratie-fase (Hoofdwerk en Pedaal)

1998-2000: Restauratie van hoofdwerk en pedaal door Bernhardt Edskes.

Dispositie: Schnitger (S), van O=Oekelen (O), Edskes (E)

Hoofdwerk   Bovenwerk   Pedaal  
Bourdon 16' (O) Holpijp 8' (S) Subbas 16' (O)
Praestant 8' (O) Quintadeen 8' (E,S) Octaaf 8' (S)
Holpijp 8' (S) Praestant 4' (E,S) Bourdon 8' (O)
Octaav 4' (S) Holpijp 4' (S) Octaaf 4' (S)
Spitsfluit 4' (S) Octaaf 2' (E,S) Nachthoorn 2' (S)
Quint 2 2/3' (S) Woudfluit 2' (S) Bazuin 16' (S)
Fluit 2' (O) Quint 1 1/3' (S) Trompet 8' (S)
Mixtuur IV (S) Sesquialtera II (S) Cornet 2' (S)
Trompet 8' (O) Scherp IV (E)    
Vox Humana 8' (S) Dulciaan 8' (S)    

 

Terug naar de Homepage van Geert Jan Pottjewijd